Daniël, medewerker van het jaar



Een goed voorbeeld van christen zijn op je werk is Daniël. Hij werd tijdens de belegering door Nebukadnessar, koning van Babylonië, meegenomen naar het paleis van de koning (zie Daniël 1).

Daar kregen ze een driejarige opleiding om de koning te dienen aan het hof. Ik zie een aantal aspecten die heel belangrijk zijn:

  • Hij werkte in een ongelovige omgeving. Net als velen van ons vandaag werkte Daniël in een omgeving waar de grote meerderheid niet in zijn God geloofde. Ook onze werkplek is vaak minder bereikt dan de meeste landen waar we zendelingen naartoe sturen. Hoeveel christen-collega's ken jij?
 
  • Hij wist alles van de cultuur. Daniël en zijn vrienden kregen onderwijs in de geschriften en de taal van de Chaldeeën (ander woord voor Babyloniërs), ze werden ondergedompeld in de Babylonische cultuur. God schonk ze wijsheid, kennis en verstand in alle geschriften. Daniël wist precies waar zijn collega's en de koning mee bezig waren. Weet jij wat je collega's bezig houdt, wat ze in hun vrije tijd doen, wat hun cultuur is? Dit bracht hen ook veel aanzien: toen de opleiding klaar was moesten ze voor de koning verschijnen. Niemand kon zich met Daniël en zijn vrienden meten. Over welke kwestie van wijsheid of inzicht de koning hen raadpleegde, hij vond hen tien keer zo voortreffelijk als alle magiërs en bezweerders in heel zijn rijk.
 
  • Hij was compromisloos. Hij werd ondergedompeld in de Babylonische cultuur en toch bleef hij compromisloos in zijn geloof. De koning had een "dieet" samengesteld dat niet koosjer was, Daniël nam zich voor om zich aan de joodse reinheidsvoorschriften te houden. Omdat hij daar eerst geen toestemming voor kreeg, leek het alsof hij het op een akkoordje gooit ("laten we het 10 dagen proberen en dan zien we weer verder, ok?"), maar in feite vertrouwt hij volledig op God.
 
  • Hij diende zijn baas volledig. Daniël was betrouwbaar en had nog nooit zijn plicht verzuimd of een misstap begaan. Een volgende koning, Darius, overwoog om Daniël aan te stellen over het hele koninkrijk. Daniël's collega's werden jaloers omdat hij zo begaafd was. Ze wilden iets vinden om hem voor aan te klagen, maar ze konden geen grond voor een aanklacht vinden, of hem op een misstap betrappen. Het enige waar ze hem op konden pakken was zijn geloof. Ze lieten de koning een wet maken waarin stond dat niemand een verzoek tot een god of een mens mocht richten, in plaats van tot de koning. Daniël hoorde ervan en ging bidden, dat deed hij drie keer per dag. Zijn collega's betrapten hem en lieten hem door de koning in de leeuwenkuil gooien. Daniël vertrouwde op God en werd gered. Daardoor erkende de koning de God van Daniël als de levende God.


© Leon de Rijke, eerder verschenen op Geloof in je werk